|
Wat algemene
informatie over de bouw van de hond
opgelet :
onderstaande bespreking heeft niet de ambitie volledig te
willen zijn doch slechts om een eerste inleiding te geven
tot wat algemene begrippen, zoals o.m. de hoekingen van de
hond. Wenst u meer informatie, contacteer ons dan voor
bespreking of voor doorverwijzing naar nuttige literatuur.
Het algemeen "bouwplan" van alle honden is hetzelfde, enkel
bestaan er uiteraard min of meer grote verschillen wat
betreft de lengte en vorm van de beenderen en de hoekingen
waarin deze t.o. van elkaar staan.
Het skelet bestaat uit volgende grote delen :
-
twee voorhoofdsbeenderen
-
twee wandbeenderen
-
het achterhoofdsbeen
-
twee slaapbeenderen
-
het wiggebeen
-
borstbeen
-
13 paar ribben :
-
9 paar ware ribben
-
3 paar valse ribben
-
1 maar zwevende ribben.
beide zijn opgebouwd uit de zg. gordel en vrije
ledematen.
-
opperarmbeen
-
spaakbeen en ellepijp
-
7 handwortelbeentjes
-
5 middenhandbeentjes
-
14 vingerkootjes.
-
dijbeen
-
scheenbeen en kuitbeen
-
7 voetwortelbeentjes
-
5 middenvoetbeentjes
-
14 teenkootjes.
Enkele termen :
Het zal u op
tentoonstellingen of selectie-proeven opgevallen zijn dat de
keurmeesters hier een bijzonder groot belang aan hechten,
niet zonder reden. Goede of correcte hoekingen zijn
een absolute noodzaak wil de hond zich op een goede manier
kunnen bewegen, waarmee in het geval van de Rottweiler ook
bedoeld wordt dat hij zich lang, efficiënt en zonder zich
snel te vermoeïen kan voortbewegen. De slecht
gehoekte hond zal snel vermoeid zijn en doorgaans een eerder
ongemakkelijke of zelfs stuntelige beweging tonen.
De voornaamste
hoekingen zijn deze van de schouder- en bekkengordel.
Hieronder vindt u een tekening van wat een ideale hoeking
genoemd wordt :
|
Het
schouderblad staat t.a.v. de stippellijn in een hoek
van 45°, de opperarm staat loodrecht op het
schouderblad (ongeveer onder het midden van het
schouderblad) en de onderarm staat loodrecht op de
bodem. Men zal
in de literatuur ook tekeningen terugvinden waarop
de loodlijn langsheen het onderbeen loopt en
doorheen de grote zoolbal i.p.v. zoals op deze
tekening achter de voet.
Kenmerkend voor de
goede ligging van het schouderblad is vb. een mooie
vloeiende ruglijn waarin de nek vloeiend in de rug
overgaat, een ruime paswijdte, het recht naar voor
en naar achter kunnen bewegen van de benen en het
recht neerzetten van de voeten.
De ligging van het schouderblad laat
inderdaad een grote reikwijdte (uitgrijpen) in de
voorhand toe en bij een andere schouderligging
ontstaat een afwijkend dynamisch evenwicht :
vb. een hoek van 60° en meer (steil)
: dit zal de paslengte van het voorbeen zeer sterk
verkorten. De hond zal dit compenseren
door het onderbeen extra hoog op te tillen (steppen)
en doet hij dit niet, dan zal ofwel het voorbeen te
snel de grond raken waardoor een grote schok wordt
opgevangen, wat we stampen noemen ofwel zal de hond
dit compenseren door de stuwing vanuit de achterhand
te verminderen en in te houden.
Duidelijk is dat de hond met een steile schouder
snel vermoeid zal worden en zich niet lang tegen een
zekere snelheid zal kunnen voortbewegen.
De steile schouder zal zich o.m. ook manifesteren
door een plotse scherpe overgang tussen nek en rug,
naar buiten gedraaide ellebogen, een stotende of
stampende beweging, een naar binnen gedraaide voet,
zeer vaak losse polsen.
Een vlakke
schouder daarentegen (schouder maakt een hoek van
minder dan 45° met de stippellijn) doet de
schouderpunten zakken waardoor ze verder van elkaar
komen te liggen, de opperarm schuiner doen liggen
en een kleinere hoek dan 90° doen vormen met het
schouderblad. Het ellebooggewricht
wordt wat naar binnen gedrukt en het been met de
voet aar buitengedraaid.
Door de vlakke ligging kan het voorbeen uiteraard
hoger opgeheven worden maar waardoor de situatie
dreigt dat de voet later wordt neergezet dan vereist
voor de beweging (steppen).
Kenmerkend voor deze ligging van het schouderblad is
o.m. de dip bij de overgang tussen nek en rug, een
breed front waardoor een schommelende gang kan
veroorzaakt worden, naar binnendraaiende ellebogen
en naar buiten draaiende voet, een steppende
opheffing van het been. |
De kynologische definitie van de
ideale hoeking van de achterhand is deze waarin het
bekken in een hoek van 30° staat t.o. de bodemlijn
en het dijbeen loodrecht op het heupbeen.
We vergeten niet wat de Rottweiler-rasstandaard
bepaalt :
Van achter
gezien zijn de achterbenen recht en niet te dicht
bij elkaar geplaatst. In een natuurlijke
stand vormen dijbeen en heupbeen, dijbeen en
onderbeen en middenvoet een stompe hoek.
Dijbeen
:
de dij is matig lang, breed, krachtig gespierd.
Onderbeen
:
het onderbeen is lang, krachtig en
sterk gespierd en gaan over in een krachtig, pezig
spronggewicht dat goed gehoekt is en niet steil.
Het ideaal gehoekte bekken laat toe
dat de benen in draf goed recht naar voren en achter
kunnen bewegen zonder dat de achtervoeten de
voorvoeten raken of hinderen en toont een sterke
stuwing met toch een rustig blijvende rug en bekken.

Bij een schuin bekken daarentegen
(hoek met bodem is kleinder dan 150°) kunnen de
achterbenen goed en ver naar voren bewogen worden
maar niet ver naar achteren.
De kracht die bij het afzetten uitgeoefend wordt,
gebeurt bijna onder de hond en is dus sterker omhoog
dan naar achteren gericht. Hierdoor kan
dus ook minder stuwkracht ontwikkeld worden.
Kenmerkend is de afvallende croupe (optisch gezien
geeft de rug de indruk kort te zijn), een lage
staartaanzet, doorgaans een sterke hoeking in de
achterhand (nodig om te compenseren voor de kleinere
hoogte tussen grond en bekken) het in beweging te
sterk naar voren plaatsen van de benen en dit vaak
dermate dat de achtervoeten de voorvoeten hinderen
of raken waardoor de hond scheef op de looprichting
gaat lopen (als een krab), vaak huppelt de hond of
toont hij een sikkelhak (om de hoogte bekken/grond
te verkleinen). Ook wanneer een hond
zich overbouwd toont, kan dit mede veroorzaakt
worden door dit schuine bekken, met name wanneer de
overige hoeken in de achterhand normaal zouden zijn
zodat het bekken omhoog zou geduwd worden.
Bij een vlak bekken is de hoek met de
bodem groter dan 150°. De
achterbenen kunnen daardoor minder naar voren maar
wel verder naar achteren bewegen.
Hierdoor gebeurt de afzet te vroeg of m.a.w. komt de
voet vroeg van de grond los waardoor energie
verloren gaat. Men ziet als het ware het been
door de lucht maaien i.p.v. op de grond stuwing te
ontwikkelen. Deze honden zullen vaak een
steile achterhand tonen omdat de hond flauwe
hoekingen nodig heeft om de grotere afstand tussen
bodem en bekken te kunnen overbruggen.
Een andere
belangrijke hoeking is deze van de
middenvoorvoet.
Deze moet licht verend zijn, krachtig en niet steil,
wat van belang is een verende gang te bevorderen en
sterke schokken op te vangen. Het is echter
eveneens van belang dat deze middenvoorvoet krachtig
is en niet zwak. Vb. bij het neerkomen na een hoge
sprong is een sterke elasticiteit maar ook
bespiering nodig om de schok te absorberen.
|
|